Column - Over economie: de kwantiteitstheorie (15 augustus 2014)

16 augustus 2014 07:59

Een van de oudste economische theorieen is de kwantiteitstheorie. Die theorie zegt dat stijgingen in de hoeveelheid geld in omloop op de lange termijn alleen maar tot hogere prijzen leiden. En niet tot hogere economische activiteit. En niet tot hogere werkgelegenheid. Iedereen meer geld in handen geven is niet het ei van Columbus om meer duurzame groei te krijgen.

 

De theorie gaat op zijn minst terug tot de tijd van de grote goudontdekkingen door de Spanjaarden. Goud was toen geld. De toename van de hoeveelheid geld in omloop leidde uiteindelijk alleen maar tot inflatie. Maar ook toen was duidelijk dat meer geld in omloop brengen aanvankelijk wel degelijk tot meer groei leidt. Maar het effect ebt weg.

 

In de vorige eeuw maakte de econoom Yrving Fisher de kwantiteitstheorie beroemd met de formule die iedere econoom kan oplepelen. MV=PT. M is de geldhoeveelheid. V de zogenoemde omloopsnelheid van het geld. Het aantal keren dat zeg een euro van eigenaar verwisselt gedurende een bepaalde periode. P is het prijspeil van goederen en diensten. En T de hoeveelheid goederen en diensten die gedurende een bepaalde periode worden verhandeld. De kwantiteitstheorie zegt dat de omloopsnelheid, V, op de langere termijn constant is. En dat de transactieomvang, T, wordt bepaald door de productietechnologie en voorkeuren. Onafhankelijk van de geldhoeveelheid. Veranderingen in de geldhoeveelheid leiden dan tot veranderingen in de prijzen.

 

De kwantiteitstheorie verdween na de jaren dertig wat naar de achtergrond. De Keynesiaanse theorie heerste. Die richtte zich niet op de geldvoorraad, maar op de totale vraag in de economie.

 

Milton Friedman blies de kwantiteitstheorie in de jaren zestig en zeventig nieuw leven in. “Inflation is always andeverywhere a monetary phenomenon”, was zijn gevleugelde uitspraak. Hij legde basis voor onafhankelijke centrale banken met als mandaat het handhaven van prijsstabiliteit.